Het gesprek tussen de huisarts en de patiënt bleek een belangrijk onderdeel van het proces van de diagnostisering volgens het onderzoek van Elise Doeschot. Hier kan zowel aan de kant van de arts áls van de patiënt veel fout gaan. Hierdoor kan het voorkomen dat een diagnose (veel) later pas worden gesteld. Elise geeft zowel de patiënt als de arts inzicht en adviezen over de manier waarop er tot de diagnose 'trage schildklier' kan worden gekomen en de eigen rol daarin.

Onderzoek naar de totstandkoming van de diagnose hypothyreoïdie

Elise Doeschot heeft voor haar masterthese onderzoek gedaan naar de totstandkoming van de diagnose hypothyreoïdie bij de huisarts. Ze heeft daar voor het magazine Schild (maart 2014) een artikel over geschreven. Dit artikel was geschreven vanuit het standpunt van en voor patiënten. Hoe kan de patiënt de diagnose beïnvloeden?

Op haar eigen website Elise.Doeschot.com heeft ze haar these uitgewerkt in een artikel gericht op en voor (huis)artsen. In dit artikel adviseert ze huisartsen over de beste zoektechniek om tot een goede diagnose te komen bij een aandoening met aspecifieke klachten, zoals bij een te trage schildklier. 

Vage klachten

Hypothyreoïdie komt vaak voor, maar de klachten laten zich niet makkelijk herkennen als klachten van de schildklier. Dat maakt het moeilijk om tot de diagnose te komen. De patiënt kiest bij het uiten van klachten welke klachten er wel en niet worden geuit. Dit kan onder invloed van schaamte, onbekendheid of 'geen-zeurpiet-willen-zijn' niet de volledige lijst zijn. Door zich in te lezen in alle mogelijke klachten veroorzaakt door de schildklier kan de patiënt de arts helpen zich een duidelijk beeld te vormen.
De arts kan hieraan bijdragen door er rekening mee te houden dat (diverse) aandoening zich vaag uiten en alleen door alle klachten te inventariseren men dichterbij de juiste diagnose komt. 
De huisarts kan zich te snel beperken tot een enkele - meest voor de hand liggende - diagnose en zou vanaf het begin de opties meer open moeten houden.

Mogelijke aandoeningen

Op grond van het (eerste) gesprek tussen patiënt en arts zal de arts tot een diagnose moeten komen. In sommige gevallen is het na een gesprek en lichamelijk onderzoek duidelijk wat de oorzaak is en wordt onderzoek gedaan voor een bevestiging. Maar dat is niet het geval bij een schildklieraandoening. Niet alleen zijn deze 'vaag' maar worden ook nog gedeeld met vele anderen aandoeningen. 
Een goede vervolgstap is het opstellen van een lijstje met mogelijke aandoening, die de oorzaak zijn van deze geuite klachten: de differentiaal diagnose. Onderzoeken worden ook uitgevoerd om oorzaken uit te kunnen schakelen. Bij een schildklieraandoening geeft het bloedonderzoek (TSH en FT4) ook een beeld van de ernst van de aandoening.

Met kennis van dit proces kan de patiënt een goede bijdrage leveren aan zijn deel en het proces goed volgen. Vraag bij consulten ook na waar de arts aan denkt, waar hij op wil gaan testen en wat uit wil sluiten en waarom.

Kennis en bijscholing

Patiënten worden steeds meer geacht hun eigen zorg te managen, verdedigen soms. Een van de voorwaarden hiervoor is zich te informeren en kennis te vergaren. SON ondersteunt schildklierpatiënten daarom op zo veel mogelijk manieren en ze daarnaast te informeren en handvatten te geven.

Bij de huisartsen bleek juist dat de kennis over de hypothyreoïdie door de huisarts te wensen overliet. Huisartsen bleken weinig interesse te hebben voor schildklieraandoeningen en achtten hun kennis meer dan voldoende en zien bijscholing als overbodig. In de praktijk blijkt dat er juist (te) weinig kennis is. 
SON richt zich ook op huisartsen. In 2013 werd al een een minisymposium/bijscholing voor huisartsen georganiseerd. Jammergenoeg viel het gebrek aan interesse in deze kennis onder huisartsen toen ook al op.
Maar net als voor patiënten volgt SON richting huisartsen ook verschillende sporen. Zo is er onlangs met succes gestart met het verspreiden van schildklierfolders aan en door huisartsen.

Het diagnostisch stappenplan

  • Vraagverheldering: De arts vraagt de patiënt naar de reden van zijn of haar bezoek, analyseert deze en vat de ‘zorgvraag’ samen.
  • Differentiaaldiagnose: Vervolgens probeert de huisarts te bedenken wat er aan de hand kan zijn en stelt een lijst van mogelijke diagnoses op.
  • Rangschikken: De huisarts brengt een hiërarchie aan in de lijst van mogelijke diagnoses.
  • Additionele testen: uiteindelijk gaat de arts de mogelijke diagnoses  toetsen. Dit kan door verder te vragen naar de symptomen en klachten van de patiënt of deze aan een aantal testen te onderwerpen, bijvoorbeeld lichamelijk onderzoek, bloedtesten, scans, kijkoperaties, etc.
Elise Doeschot is afgestudeerd aan de master Euopean programma on Society, Science & Technology (ESST) van de Universiteit van Maastricht. Sinds 2013 is ze bij de Vrije Universiteit van Amsterdam werkzaam als onderzoeker en docent; onder andere binnen het Europese onderzoek E-capacit8.

 

Bronnen:

Laatst aangepast op