Diagnose stellen

Om een te snel werkende schildklier (hypothyreoïdie) vast te stellen worden diverse onderzoeken gedaan.

Anamnese

  • de arts vraagt naar de klachten van de patiënt, vraagt gericht door naar de voorgeschiedenis en wil weten of schildklierfunctiestoornissen vaker vóórkomen in de familie.

Lichamelijk onderzoek

  • het voelen (palperen) van de schildklier om de beweeglijkheid, de vorm en de grootte te bepalen en om afwijkingen in vorm en oppervlak vast te stellen, om na te gaan of er sprake is van een knobbel (nodus) of meerdere knobbeltjes en om vast te stellen of er sprake is van pijn bij palperen,
  •  polsslag meten,
  •  kijken of er sprake is van tremor (trillende vingers/handen),
  •  kijken of er sprake is van een klamme huid,
  •  kijken of er sprake is van oogafwijkingen.

Bloedonderzoek

  •  bepalen van TSH en
  •  zo nodig vrij T4 (FT4).

Bij hyperthyreoïdie is de TSH verlaagd (i.h.a. lager dan 0,4 mE/L) en de FT4 verhoogd (i.h.a. hoger dan 24 pmol/L)∗.
Bij de zeldzaam voorkomende centrale hyperthyreoïdie is zowel de TSH als de FT4 verhoogd.

Aanvullend bloedonderzoek

Om de oorzaak van hyperthyreoïdie vast te stellen worden één of meer van onderstaande onderzoeken uitgevoerd.

  •  bepalen van antistoffen tegen TSH-receptor (ook wel TSI antistoffen genoemd)
  •  bepalen van vrij T3 (FT3)
  •  testen in bloed of er sprake is van een ontsteking (bepalen van de bezinking of CRP en leukocyten (witte bloedcellen) in bloed)

Als bij een hyperthyreoïdie in het bloed antistoffen tegen de TSH-receptor worden aangetoond is dat een bewijs dat er sprake is van de ziekte van Graves.

Als bij klachten van hyperthyreoïdie en een verlaagd TSH toch een normaal FT4 in het bloed wordt gevonden, moet FT3 bepaald worden. Zo wordt gecontroleerd of er sprake is van een T3-toxicose. Een T3-toxicose is hyperthyreoïdie met alleen verhoogd FT3.

Bij een patiënt met hyperthyreoïdie bij wie geen antistoffen tegen de TSH-receptor in het bloed aantoonbaar zijn en die minder dan één jaar geleden bevallen is, kan er sprake zijn van postpartum thyreoïditis (= schildklierontsteking na de bevalling).

 

Bij een patiënt met hyperthyreoïdie én een pijnlijke schildklier met koorts en een gevoel van algehele malaise zal de arts bloed laten prikken om te kijken of er sprake is van een ontsteking. Als bloedonderzoek wijst op een ontsteking past dit meestal bij een subacute thyreoïditis, een ontsteking van de schildklier veroorzaakt door een virus.

Lees meer over overige onderzoeken:

*Uitgaande van normaalwaarden voor TSH van  0,4 – 4 mE/L en voor FT4 van  9 – 24 pmol/L, deze normaalwaarden kunnen per laboratorium verschillen.