Bijgewerkt op:

Gepubliceerd op:

Bij de diagnose en behandeling van schildklieraandoeningen is bloedonderzoek belangrijk. TSH en FT4 zijn belangrijke testen.

TSH

De schildklier wordt aangestuurd door TSH (schildklier stimulerend hormoon). De hypofyse maakt dit hormoon. De TSH-waarde is een indicatie hoe de schildklier functioneert. Als er te weinig schildklierhormoon in het lichaam is, gaat de hypofyse meer TSH aanmaken. Als de schildklier te veel schildklierhormoon maakt, wordt stopt de hypofyse met het aanmaken van TSH.

T4 en T3

De schildklier maakt twee soorten hormonen aan:

  • T4 (thyroxine) en
  • T3 (thyronine)

Het hormoon T4 is een soort voorloper. T3 is het actieve hormoon. Naar behoefte van het lichaam, weefsels en cellen wordt T4 omgezet in T3. Dat gebeurt onder andere in de lever, de spieren en de hersenen.

T4 en T3

De schildklier maakt twee hormonen aan T4 (thyroxine) en een beetje T3 (thyronine). T3 is het actieve hormoon, het hormoon T4 is een soort voorloper. Naar behoefte van het lichaam, weefsels en cellen wordt T4 omgezet in T3. Dat gebeurt onder andere in de lever, de spieren en de hersenen.

Welke bloedtest bij vermoeden dat de schildklier niet goed werkt?

TSH en als de TSH te hoog of te laag is

FT4

FT4 is het vrije schildklierhormoon T4. Waarom de bloedtest FT4 en niet T4? Het meeste T4 in bloed is gebonden aan eiwitten. Totaal T4 is gebonden T4 en FT4 opgeteld en kan veranderen als de hoeveelheid eiwit verandert. Het vrije T4 is direct beschikbaar voor weefsels van ons lichaam.
De waarden van TSH en FT4 samen geven aan wat er aan de hand is.an de klachten.

TSHFT4BetekenisMedische term
NormaalNormaalNormaal werkende schildklierEuthyreoïdie
Te hoogTe laagTe trage schildklierHypothyreoïdie
Te laagTe hoogTe snelle schildklierHyperthyreoïdie
Te hoogNormaalSubklinische hypothyreoïdie
Te laagNormaalSubklinische hyperthyreoïdie
Te laagTe laagCentrale hypothyreoïdie (zeldzaam)
Te hoogTe hoogCentrale hyperthyreoïdie (zeldzaam)

Wanneer is TSH of FT4 te laag of te hoog?

De meest gebruikelijke waarden zijn:
Om te weten of een waarde te hoog of te laag is worden ze vergeleken met de referentiewaarden. Referentiewaarden zijn de grenswaarden die horen bij een normale werking van de schildklier. Referentiewaarden worden vastgesteld op basis van metingen bij een grote groep gezonde personen. Referentiewaarden zijn vaak afhankelijk van leeftijd en geslacht. De laatste jaren wordt bijvoorbeeld steeds meer erkend dat de TSH-referentiewaarden licht stijgen vanaf 60 jaar. Veel laboratoria hanteren als TSH referentiewaarden van 0,4 – 4,0 mU/L voor volwassenen jonger dan 60 jaar. Dat wil zeggen dat een waarde tussen deze grenzen als normaal wordt gezien.

Schilklier TSH-waarde referentiewaarden voor schildklierfunctie analyse.

De referentiewaarden voor volwassenen voor FT4 bevinden zich meestal tussen 10 en 25pmol/L 

Waarom zijn referentiewaarden niet bij alle laboratoria hetzelfde?

Laboratoria gebruiken verschillende bepalingsmethoden voor de (schildklier)testen. Er wordt veel moeite wordt gedaan de uitkomsten van de methoden op elkaar af te stemmen. In de praktijk is er soms toch een te grote variatie in de gemeten schildklierwaarden als in hetzelfde bloed bij verschillende laboratoria de testen worden gedaan. Daarom vermelden laboratoria hun eigen referentiewaarden naast de testuitslag.

De referentiewaarden voor volwassenen voor FT4 bevinden zich meestal tussen 10 en 25pmol/L 

Extra bloedtesten als de schildklier niet goed werkt

Vervolgonderzoek bij te snelle schildklier

Anti-TSH-receptor antistoffen (afkorting TRAb of soms TSI)
Als in het bloed antistoffen tegen de TSH-receptor worden aangetoond is dat een bewijs dat de te snelle schildklier wordt veroorzaakt door ziekte van Graves. Bij andere oorzaken van te snelle schildkier worden deze antistoffen niet gevonden.

Vervolgonderzoek bij te lage TSH, normale FT4 én klachten te snelle schildklier

FT3 (of T3)

Om te kijken of er sprake is van T3-toxicose (= hyperthyreoïdie door te hoog T3).

Het meeste T3 in bloed is gebonden aan eiwitten. FT3 (het vrije T3) is direct beschikbaar.

Vervolgonderzoek bij te snelle en pijnlijke schildklier met koorts en algehele malaise

BSE of CRP en witte bloedcellen

BSE (bezinking), CRP (C-reactief proteïne) en witte bloedcellen zijn bloedtesten om een ontsteking vast te stellen.

Bloedtesten bij behandeling met levothyroxine

TSH

FT4

  • Bij start van de behandeling (instellen) of bij wijzigen van de dosis: elke 6 weken tot je geen klachten meer hebt (of tot je je zo goed mogelijk voelt) en de TSH normaal is. De dosis levothyroxine wordt zo nodig aangepast op basis van TSH en FT4
  • In het 1e jaar na de diagnose elke 3 maanden.
  • Daarna elk jaar als de stabiele instelling stabiel is. Bij klachten eerder.
  • TSH is een gevoelige maat om vast te stellen of er te veel of te weinig schildklierhormoon beschikbaar is. Een (F)T3 bloedtest geeft geen extra informatie. Bij de combinatietherapie kan een (F)T3 bloedtest behulpzaam zijn en zoals hierboven beschreven bij vermoeden van een T3-toxicose.

Overige bloedtesten

Antistoffen

Anti-TPO antistoffen
De meeste gezonde mensen hebben geen antistoffen tegen thyroperoxidase (TPO) in hun bloed. TPO is een eiwit dat alleen in de schildklier voorkomt. Normaal maak je geen antistoffen tegen ‘eigen’ weefsel, maar soms gaat het mis. Dit wordt een auto-immuunziekte genoemd. Door deze antistoffen ontstaan ontstekingen en beschadiging van de schildklier. 

Veel mensen met de ziekte van Hashimoto en de ziekte van Graves hebben antistoffen tegen TPO in hun bloed. De aanwezigheid van antistoffen tegen TPO is geen bewijs dat er sprake is van een auto-immuun schildklieraandoening, want bij mensen zonder schildklieraandoening worden ook TPO-antistoffen gevonden. De kans op het maken van autoantistoffen tegen TPO neemt toe met de leeftijd.

Het aantonen van TPO-antistoffen heeft geen invloed op de behandeling van een te trage schildklier. Daarom wordt deze test niet standaard uitgevoerd.

Anti-Tg antistoffen
De meeste gezonde mensen hebben geen antistoffen tegen thyreoglobuline (Tg)  in hun bloed. Thyreoglobuline is een eiwit dat alleen in de schildklier voorkomt.

Mensen met de ziekte van Hashimoto en de ziekte van Graves kunnen antistoffen tegen Tg in hun bloed hebben. Tg antistoffen worden minder vaak gevonden dan TPO antistoffen.

De anti-Tg antistoffen test heeft weinig nut voor de diagnose bij een niet goed werkende schildklier. De test kan nuttig zijn in combinatie met thyreoglobuline (na verwijdering de schildklier bij schildklerkanker).

Anti-TSH-receptor antistoffen
Gezonde mensen hebben geen antistoffen tegen de TSH-receptor in hun bloed. Veel mensen met de ziekte van Graves hebben antistoffen tegen de TSH-receptor in hun bloed. Meestal zijn dit antistoffen die de schildklier stimuleren om meer schildklierhormoon aan te maken. Gevolg een te snelle schildklier. Heel soms zijn het antistoffen die de TSH-receptor blokkeren waardoor de schildklier te weinig schildklierhormoon maakt. Gevolg een te trage schildklier.

TSH-receptor antistoffen worden bepaald om te achterhalen wat de oorzaak is bij een te snelle schildklier.

Bij Graves’ hyperthyreoïdie (te snel werkende schildklier), nu of in het verleden, moet aan het begin van de zwangerschap bloed geprikt worden om te onderzoeken of er in het bloed van de moeder antistoffen tegen de TSH-receptor (TRAb) aanwezig zijn. Te hoge TRAb kan een verhoogd risico kunnen geven op tijdelijke hyper-/hypothyreoïdie bij de baby.

Bloedtesten bij schildklierkanker

Thyreoglobuline

Calcitonine

CEA